DE FLITSEN

Tweede Vraag: over āl-i abā

 

Mijn broeder, van de vele wijsheden achter uw tot nu toe onbeantwoorde vraag over āl-i abā zal slechts één enkele wijsheid worden genoemd. Deze is als volgt:

 

De Eerbiedwaardige Boodschapper (saw) bedekte met de gezegende mantel (abā) die hij droeg Ali (ra), Fātima (ra), Hasan (ra) en Hoesein (ra), en sprak over hen de smeekbede uit die vervat is in het vers:

 

لِيُذْهِبَ عَنْكُمُ الرِّجْسَ اَهْلَ الْبَيْتِ وَيُطَهِّرَكُمْ تَطْهِيرًا

 

Dit handelen en deze smeekbede bevatten vele geheimen en wijsheden. Op deze geheimen zullen wij niet ingaan. Slechts één wijsheid die verband houdt met de profeetschap zal hier worden vermeld:

 

De Eerbiedwaardige Boodschapper (saw), met zijn profetische blik die het onzichtbare kent en de toekomst doorziet, zag dat dertig tot veertig jaar later onder de sahaba en de tabiʿīn grote beproevingen en bloedvergieten zouden plaatsvinden. Hij zag dat de meest vooraanstaande personen in deze gebeurtenissen juist de drie personen waren die zich onder zijn mantel bevonden.

 

Om Ali (ra) in de ogen van de oemma te zuiveren en vrij te pleiten, om Hoesein (ra) te troosten en te condoleren, om Hasan (ra) te feliciteren en zijn eer én het grote voordeel dat hij de oemma bracht door verzoening en het beëindigen van een zware beproeving te verkondigen, en om bekend te maken dat het nageslacht van Fātima (ra) zuiver en geëerd zal zijn en waardig zal blijken aan de verheven titel van ahl al-bayt, bedekte hij deze vier personen met zijn mantel en verleende hij hun, samen met zichzelf, de titel “khamse-i āl-i abā” (de Vijf Mensen van de Mantel).

 

Inderdaad, hoewel Ali (ra) rechtens de kalief was, waren de vergoten bloedstromen zo ernstig dat zijn vrijpleiting en zuivering in de ogen van de oemma, vanuit de taak van de profeetschap bezien, van groot belang waren. Daarom zuiverde de Eerbiedwaardige Boodschapper (saw) hem op deze wijze. Daarmee riep hij zowel de Kharidjieten, die Ali (ra) bekritiseerden en van dwaling beschuldigden, als de agressieve aanhangers van de Umayyaden tot stilte.

 

Inderdaad hebben zowel de onverschilligheid en misleidende beschuldigingen van de Kharidjieten en de extremistische aanhangers van de Umayyaden ten aanzien van Ali (ra), als de overdrijvingen en bidʿa-achtige praktijken van de Sjiieten — die ontstonden naar aanleiding van de uiterst tragische en hartverscheurende gebeurtenis rond Hoesein (ra) — evenals hun verwerping van de eerste twee kaliefs de islamitische gemeenschap grote schade berokkend.

 

Met deze mantel en deze smeekbede heeft de Eerbiedwaardige Boodschapper (saw) Ali (ra) en Hoesein (ra) vrijgesproken van beschuldigingen en verantwoordelijkheid, en de oemma verlost van slechte gedachten en wantrouwen jegens hen. Tegelijkertijd feliciteerde hij Hasan (ra), vanuit het oogpunt van zijn profetische taak, met de grote weldaad die hij de oemma had bewezen door verzoening. Tevens maakte hij bekend dat het gezegende nageslacht van Fātima (ra) in de islamitische wereld de verheven titel ahl al-bayt zou dragen en een bijzondere eer zou verkrijgen, en dat haar nageslacht uitzonderlijk geëerd zou zijn, net zoals het nageslacht van de moeder van Maryam, die zei:

 

وَاِنِّى اُعِيذُهَا بِكَ وَذُرِّيَّتَهَا مِنَ الشَّيْطَانِ الرَّجِيمِ

 

اَللّٰهُمَّ صَلِّ عَلٰى سَيِّدِنَا مُحَمَّدٍ وَعَلٰى اٰلِهِ الطَّيِّبِينَ الطَّاهِرِينَ اْلاَبْرَارِ وَعَلٰى اَصْحَابِهِ الْمُجَاهِدِينَ الْمُكْرَمِينَ اْلاَخْيَارِ اٰمِينَ