DE FLITSEN

Het derde geval

 

Een zeer belangrijk lid van de dienst aan de Koran, mijn broeder Hulūsi, ging van Eğirdir naar zijn geboortestreek. Daar vond hij omstandigheden die hem het wereldse geluk ten volle deden smaken, waardoor een zekere verslapping in de louter op het hiernamaals gerichte dienst aan de Koran kon ontstaan. Hij had zich na lange tijd weer met zijn vader en moeder verenigd; hij zag zijn geboortestreek terug, en doordat hij in een eervolle en hooggeplaatste rang terugkeerde, glimlachte de wereld hem toe en scheen zij hem schoon. Nochtans geldt voor degene die zich met de dienst aan de Koran bezighoudt dat óf de wereld hem afwijst, óf hij de wereld afwijst, opdat hij met oprechtheid en ernst in die dienst kan volharden.

 

Hoewel het hart van Hulūsi onwankelbaar was, leidde deze toestand hem toch tot een verslapping, en daarom ontving hij een barmhartige tuchtiging. Gedurende wel een of twee jaar werden enkele huichelaars op hem afgestuurd; zij beroofden hem van de genietingen van de wereld en vervreemdden zowel de wereld van hem als hem van de wereld. Toen legde hij zich met volle overgave toe op zijn geestelijke taak.

 


Het vierde geval

 

Dit betreft Muhacir Hafız Ahmed. Hij vertelt het zelf:

 

Ik beken dat ik in mijn oordeel, vanuit het gezichtspunt van mijn hiernamaals, in de dienst aan de Koran een fout heb begaan. Ik koesterde een verlangen dat verslapping in de dienst zou kunnen veroorzaken. Ik ontving een barmhartige, maar strenge en boetedoende tuchtiging. Het gebeurde als volgt:

 

Omdat mijn leermeester tegenstander was van vernieuwingen die strijdig waren met de sheāir — zoals bijvoorbeeld de Turkse oproep tot het gebed — en aangezien mijn moskee naast de zijne lag en de drie heilige maanden naderden, dacht ik: indien ik mijn moskee zou verlaten, zou ik niet alleen veel beloning verliezen, maar zou ook de wijk gewend raken aan het nalaten van het gebed. Indien ik de nieuwe werkwijze niet toepaste, zou men mij het voorgaan in het gebed verbieden.

 

Op grond van dit oordeel wenste ik dat mijn leermeester, die ik liefheb als mijn eigen ziel, tijdelijk naar een ander dorp zou vertrekken. Ik wist niet dat de dienst aan de Koran tijdelijk zou verslappen, indien hij zijn plaats zou verlaten en naar een andere streek zou gaan. Juist in die periode ontving ik een tuchtiging — een barmhartige, maar zo ontzagwekkende tuchtiging dat ik drie maanden lang nauwelijks tot bezinning kwam.

 

Maar, lof zij Allah, mijn leermeester heeft met stellige zekerheid meegedeeld dat wij op de goddelijke barmhartigheid mogen hopen dat iedere minuut van die beproeving de waarde heeft van een dag aanbidding. Die fout was niet voortgekomen uit eigenbelang of kwade opzet; dat verlangen ontstond uitsluitend uit zorg voor mijn hiernamaals.