DE FLITSEN

De tweede gelijkenis

 

Eens betrad een ongemanierde man een verbazingwekkend legerkamp en aanschouwde de uiterst geordende trainingen en handelingen van een volkomen gedisciplineerd leger. Hij zag dat een bataljon, legioen en divisie op het bevel van één soldaat opstonden, halt hielden, marcheerden en vuurden. Zijn gebrekkige en zieke verstand begreep niet dat de soldaten eigenlijk dergelijke welgeordende handelingen verrichtten op bevel van een commandant, volgens de decreten van een sultan. Dit bracht hem tot de gedachte dat de soldaten verbonden waren door touwen; hij overpeinsde de buitengewone eigenschappen van dit denkbeeldige touw en was verbaasd.

 

Vervolgens vertrok hij en bezocht hij tijdens het vrijdaggebed een zeer indrukwekkende moskee, de Aya Sofia. Hij zag een moslimgemeenschap staan, buigen, knielen en zitten, allemaal onder leiding van één man. Aangezien hij noch de sharia begreep, die bestaat uit de verzameling van spirituele en hemelse wetten, noch de spirituele principes erkende, die voortkomen uit de bevelen van de Wetgever, verbeeldde hij zich dat die gemeenschap met elkaar verbonden was door materiële touwen, die hen gevangen hielden en als poppen bespeelden. Hierop vertrok hij uit de moskee met een zeer belachelijke gedachte die zelfs de meest dwaze mensen tot lachen brengt. 

 

Zoals in het voorgaande voorbeeld betrad een godsloochenaar met een puur primitieve, atheïstisch-naturalistische gedachtegang dit universum, dat dient als een fenomenaal legerkamp voor de ontelbare soldaten van de Sultan van alles en alle tijden, en als een geordende moskee van Mabud-i Ezèlī. Hij stelde zich de immateriële wetten voor, waarvan de ordening van het universum wordt bewerkstelligd en die voortkomen uit de wijsheid van Sultān-i Ezèlī, als iets materieels. Tevens veronderstelde hij dat zowel de wetten (natuurwetten) -die slechts een theoretisch bestaan hebben in de heerschappij van Allah- als de regels en principes van die wetten van Mabud-i Ezèlī -die slechts een conceptuele realiteit hebben- een externe, materiële, fysieke verschijningsvorm bezaten. Op basis van die gedachtegang verplaatste hij die wetten in plaats van de macht van Allah, schreef de schepping toe aan hun handen en noemde het geheel ‘natuur’. Een redenering die ervan uitgaat dat de ‘krachten in het universum’ – die slechts een manifestatie van de macht van de Heer zijn – als een machtige, onafhankelijke en zelfonderhoudende heerser beschouwt, is duizend keer primitiever dan de primitiviteit uit het voorgaande voorbeeld.

 

In het kort: datgene wat naturalisten als ‘natuur’ benoemen, zou hooguit -als we aannemen dat het een extern bestaan heeft- een kunstwerk kunnen zijn; het kan niet de kunstenaar zijn. Het is eerder een borduurwerk; het kan niet de borduurder zijn. Het wordt bepaald, maar kan niet de bepaler zijn. Het bestaat uit wetten met betrekking tot de schepping; het kan niet de wetgever zijn. Het is eerder een schepsel dat dient als een sluier, zodat de glorie van Allah niet wordt aangetast; het kan niet de schepper zijn. Het is een wezen dat beïnvloedbaar is; het kan niet de invloedrijke maker zijn. Het vertegenwoordigt een wet, geen kracht; het kan niet machtig zijn. Het is als een sjabloon; het kan niet de schilder zijn.

 

Conclusie: aangezien het universum met alles erin bestaat en volgens rationele richtlijnen geen andere weg is om het bestaan ervan te verklaren dan de vier genoemde wegen, en aangezien de ongeldigheid en ontoegankelijkheid van de eerste drie wegen elk met drie duidelijke bewijzen zijn aangetoond, wordt de vierde weg, namelijk de weg van de goddelijke eenheid, op een overtuigende manier bewezen. Het vers

اَفِى اللّٰهِ شَكٌّ فَاطِرِ السَّمٰوَاتِ وَالْاَرْضِ

dat deze vierde weg aangeeft en aan het begin van deze verhandeling wordt genoemd, toont onbetwistbaar en ongetwijfeld, op overtuigende wijze de goddelijkheid aan van Wādjibul-Wudjūd. Het wijst erop dat alles rechtstreeks door Zijn macht tot stand komt, en het duidt aan dat de hemelen en de aarde zich onder Zijn beheer bevinden.