DE FLITSEN
Het veertiende geval
Het betreft de drie kleine tuchtigingen die de drie Mustafa’s ontvingen.
De eerste Mustafa: Mustafa Çavuş (r.h.) had gedurende acht jaar dienst verricht in onze kleine, afzonderlijke moskee. Hij zorgde voor alles, tot en met de kachel, de petroleum en de lucifers. Later vernamen wij zelfs dat hij gedurende acht jaar de petroleum en de lucifers uit eigen zak had bekostigd. Hij ontbrak niet bij de gemeenschap, vooral op de vrijdagavonden, tenzij er een uiterst noodzakelijke reden was.
Daarna maakten de wereldse mensen gebruik van de zuiverheid van zijn hart en zeiden:
“Zij zullen zich bemoeien met de tulband van de Hafız, die een van de schrijvers van de Risale-i Nur is. Ook moet de ezānDe Islamitische oproep tot het gebed. die in het geheim wordt verricht tijdelijk worden gestaakt. Zeg tegen de schrijver dat hij zijn tulband afdoet voordat hij aan dwang wordt blootgesteld.”
Mustafa Çavuş wist niet dat het overbrengen van een dergelijke boodschap — namelijk dat iemand die in dienst van de Koran staat zijn tulband moet afdoen — voor iemand met een verheven ziel zoals hijzelf zeer zwaar is. Toch had hij hun woorden overgebracht.
Die nacht zag ik in een droom dat Mustafa Çavuş met bevuilde handen, en met de districtsgouverneur achter zich, mijn kamer binnenkwam. De volgende dag zei ik tegen hem:
“Mustafa Çavuş, met wie heb je vandaag gesproken? Ik zag je met bevuilde handen, terwijl de districtsgouverneur achter je stond.”
Hij antwoordde: “Helaas! Het dorpshoofd heeft mij zo’n boodschap gegeven en zei: ‘Zeg het tegen de schrijver.’ Ik wist niet wat erachter schuilging.”
Op diezelfde dag had hij ongeveer een liter petroleum naar de moskee gebracht. Toen gebeurde er iets wat nooit eerder was voorgevallen. De deur was open gebleven, een geitenlam was naar binnen gekomen, en een grote man, die de uitwerpselen wilde schoonmaken die het lam nabij mijn gebedskleed had achtergelaten, dacht dat de petroleum in de kruik water was en strooide, in de veronderstelling dat hij aan het schoonmaken was, de petroleum door de hele moskee. Het is opmerkelijk dat hij de geur niet had opgemerkt.
Het lijkt alsof die moskee hem door de taal van de toestand wilde zeggen:
“Wij hebben jouw petroleum niet nodig. Vanwege de fout die je hebt gemaakt, heb ik jouw petroleum niet aanvaard.”
Daarom werd de geur aan die man niet kenbaar gemaakt. Zelfs in diezelfde week kon hij, ondanks al zijn inspanningen, op de vrijdagavond en bij enkele belangrijke gebeden de gemeenschap niet op tijd bereiken. Daarna, nadat hij oprecht berouw had getoond en om vergeving had gevraagd, hervond hij zijn oorspronkelijke zuiverheid.
De tweede en de derde Mustafa: Dit betreft Mustafa uit Kuleönü, een waardevolle, ijverige en belangrijke leerling van mij, en zijn zeer trouwe en toegewijde vriend HafizDegene die de gehele Kuran uit zijn hoofd kent. Mustafa (r.h.).
Na het Offerfeest had ik bericht gestuurd dat zij voorlopig niet moesten komen, opdat de wereldse mensen ons geen moeilijkheden zouden bezorgen en er geen verslapping zou optreden in de dienst aan de Koran. Ik had gezegd: “Laat hen voorlopig niet komen. En als zij toch komen, laat hen dan één voor één komen.”
Niettemin kwamen zij op een nacht met hun drieën tegelijk. Het was de bedoeling dat zij vóór het aanbreken van de dageraad zouden vertrekken, indien het weer gunstig was. Op een wijze die zich nooit eerder had voorgedaan, vergaten zowel Mustafa Çavuş, als Süleyman Efendi, als ikzelf, en ook zij, een duidelijke voorzorgsmaatregel te nemen; het werd ons als het ware vergeten. Ieder liet het aan de ander over en zo handelden wij onvoorzichtig.
Zij vertrokken vóór de dageraad. Een dermate hevige storm teisterde hen echter gedurende twee uur onophoudelijk, dat ik bezorgd was dat zij niet aan deze storm zouden kunnen ontsnappen. Tot dan toe had zich die winter geen dergelijke storm voorgedaan, en had ik nog nooit zo’n medelijden gevoeld.
Daarna wilde ik Süleyman, als gevolg van zijn onvoorzichtigheid, achter hen aan sturen om te vernemen hoe het met hen was en of zij veilig waren. Maar Mustafa Çavuş zei: “Als hij gaat, zal hij ook daar blijven. Ik moet hem achterna gaan om hen te zoeken. En achter mij moet ook Abdullah Çavuş komen.”
Hierop zeiden wij: “Tawakkalnā ‘alā Allāh” (Wij vertrouwen op Allah) en wachtten af.