DE FLITSEN

De ene groep is sofist geworden en heeft haar niveau verlaagd tot onder dat van een dier door afstand te nemen van het distinctieve kenmerk van de mens: het verstand. Ze vinden het redelijker om het bestaan van het universum en zelfs hun eigen bestaan te ontkennen dan het volgen van de afgedwaalde weg waarop de natuur en de oorzaken als scheppers worden beschouwd. Hierdoor hebben ze zowel het universum als hun eigen bestaan ontkend en zijn ze vervallen tot absolute waanzin.

 

De tweede groep heeft ingezien dat het toeschrijven van het scheppen van zelfs maar één enkele vlieg of één enkele bloem aan oorzaken en natuur ontelbare moeilijkheden met zich meebrengt, en dat hiervoor een macht vereist is waar het verstandsvermogen niet bij kan. Hierdoor zijn ze gedwongen om zowel de schepping als de totale vernietiging te ontkennen en het volgende te zeggen: “Iets kan niet uit het niets ontstaan.” en “Iets dat ontstaat kan niet totaal vernietigd worden.” Ze veronderstellen dat alles zich spontaan samenvoegt, ontbindt, verzamelt en verspreidt, door de zelfbeweging van atomen en het stormachtig waaien van toevalligheden.

 

Welnu, kijk eens aan hoe de mensen die zich op het laagste niveau van dwaasheid en onwetendheid bevinden, terwijl ze zichzelf het meest intelligent achten. Besef hoe belachelijk, verachtelijk en onwetend een mens kan zijn door dwaling, en leer hiervan.

 

Inderdaad, een eeuwige macht heeft de hemelen en de aarde in zes dagen geschapen, creëert elk jaar op het aangezicht van de aarde gelijktijdig meer dan vierhonderdduizend levensvormen en stelt in elke lente, in zes weken tijd, een wereld van leven samen, welke kunstiger is en meer wijsheden bevat dan het universum zelf. Het is dus een grotere dwaasheid en een grotere onwetendheid dan die van de sofisten, de eerstgenoemde groep, om het concept van scheppen te ontkennen, en ongeloofwaardig te achten dat een eeuwige macht wezens tot bestaan roept, terwijl ze, met hun planning, vormen en hoedanigheden al in Zijn kennis aanwezig waren voordat ze uitwendig bestonden. Deze situatie kan worden vergeleken met het effect van een chemische stof die met een onzichtbare inkt geschreven tekst zichtbaar maakt. Net zoals deze stof de tekst zichtbaar maakt, zo verleent de goddelijke macht uitwendig bestaan aan wezens die al in Zijn kennis bestaan.

 

Aangezien dergelijke dwazen absoluut machteloos zijn, niets bezitten dan een zeer geringe wilskracht en niet in staat zijn om iets te vernietigen, noch om iets uit het niets te scheppen, en aangezien de natuur en oorzaken waarop ze berusten eveneens niet in staat zijn om vanuit het niets ook maar iets kleins tot stand te brengen, zeggen zij vanwege hun dwaasheid: “Er kan niets ontstaan uit het niets, en er gaat niets op in niets.” En zij willen deze zinloze en foutieve bewering toepassen op de absoluut Almachtige. 

 

Inderdaad, Qadīr-i zul-Djelāl schept op twee manieren: 

 

De ene manier bestaat uit het voortbrengen vanuit het niets. Met andere woorden, Hij brengt een wezen tot stand uit het niets en schept al zijn benodigdheden ook uit het niets en legt deze in zijn hand. 


De andere manier bestaat uit samenstellen. Met andere woorden, om verfijnde doelstellingen, zoals de volmaaktheid van Zijn wijsheid en de diverse verschijningsvormen van Zijn namen te demonstreren, vormt Hij uit kosmische elementen een bepaald aantal wezens. Hij zendt atomen en elementen naar deze wezens volgens Zijn wet van voorzienigheid en zet deze voor hen aan het werk.