DE FLITSEN

De elfde notitie

 

Besef dat de uitdrukkingen in de Koran rijk zijn aan genade en mededogen, omdat de meerderheid van degenen die worden aangesproken gewone mensen zijn met een eenvoudige denkwijze. Aangezien hun blik niet volledig doordringt tot de verfijnde wonderen, herhaalt de Koran keer op keer de wonderen en tekenen die zich manifesteren in de hemelen en op aarde. Door deze grote tekenen aan hen te tonen, neemt de Koran hun bescheiden zienswijze in overweging. Bijvoorbeeld, de Koran onderwijst over duidelijk leesbare en zichtbare tekenen, zoals de schepping van de hemelen en de aarde, de neerzending van regen uit de hemel en de herrijzenis van de aarde. Het vestigt zelden de aandacht op de subtiele en kleine tekenen te midden van de grote, waardoor de meerderheid van de mensen er weinig moeite voor doet om ze te overdenken en te begrijpen.

 

Bovendien is de verkondigingsstijl van de Koran buitengewoon vloeiend, eloquent en natuurlijk. Het lijkt wel alsof de Koran zelf een hāfiz is die de door de pen (macht) van Allah geschreven woorden op de bladzijden van het universum reciteert. Het is alsof de Koran de recitatie is van het boek der schepping en de verbale uitdrukking van de orde ervan. Het onderwijst de attributen en beschrijft de handelingen van de eeuwige Schrijver van dat boek. Als je de contextueel passende keuze van woorden in de verkondigingen van de Koran wilt zien, luister dan met een bewust en attent hart naar soera’s zoals ‘soera an-Naba’ of naar verzen zoals:

قُلِ اللّٰهُمَّ مَالِكَ الْمُلْكِ

 

De twaalfde notitie

 

O mijn vrienden die aandacht schenken aan deze notities! 

 

Jullie dienen te weten dat ik, ook al is het niet mijn gewoonte en hoewel het verborgen moet blijven, soms de smeekbeden en supplicaties in mijn hart jegens mijn Heer opschrijf. Op deze manier hoop ik op Zijn genade, dat ze verhoord worden wanneer mijn boek spreekt in plaats van mijn tong, nadat de dood mijn tong tot zwijgen heeft gebracht. Inderdaad, smeekbeden die ik verricht en spijtbetuigingen die ik uitspreek gedurende een kortstondig leven zijn niet toereikend voor de vergeving van talloze zonden. De kracht van een boek, die langdurig en enigszins voortdurend is, zal mij daar beter bij ondersteunen. 

 

Dertien jaar geleden, voordat deze verhandeling werd geschreven, beleefde ik een moment van ontwaken. Het lachen van de Oude Said, dat ooit mijn geest vulde, veranderde na een ingrijpende omwenteling in het huilen van de Nieuwe Said. Zo ontwaakte ik uit de achteloze slaap van de jeugd in de ochtend van de ouderdom. Op dat moment reciteerde ik een Arabische smeekbede en supplicatie, waarvan een deel in het Nederlands als volgt luidt:

 

O mijn genadevolle Heer, o mijn vrijgevige Schepper!

 

Door mijn wil verkeerd te gebruiken zijn mijn leven en jeugd verloren gegaan. Wat ik heb overgehouden aan dat leven en die jeugd waren niet meer dan smartelijke zonden, vernederende kwellingen en misleidende twijfels. Met deze zware last, een ziek hart en een beschaamd gezicht kom ik dicht bij het graf. Ik zie dat ik, zoals mijn overleden vrienden, leeftijdsgenoten en familieleden, onvrijwillig het graf nader. Het graf is de eerste halteplaats op weg naar de eeuwigheid en fungeert als een ingangspoort naar het eeuwige leven na een permanente scheiding van dit vergankelijke oord.