DE FLITSEN
Het is algemeen bekend dat een hoogwaardig product dat bederft, nog meer bedorven raakt dan het meest eenvoudige product dat bederft. Wanneer melk en yoghurt bijvoorbeeld bederven, kunnen ze alsnog eetbaar zijn. Wanneer boter echter bederft, wordt ze oneetbaar en soms zelfs giftig. Evenzo, als het alleredelste en hoogwaardigste schepsel, de mens, bedorven raakt, wordt hij verdorvener dan het meest bedorven dier. Net zoals insecten die van de geur van bedorven stoffen genieten en slangen die met bijten en vergiftigen genoegen nemen, verlustigen dergelijke mensen zich in ondeugden en onzedelijk gedrag in het moeras van dwaling. Ze genieten zowel van de verwoestingen als gevolg van onrechtvaardigheid als van allerlei kwaadaardige handelingen. Zodoende treden ze als het ware in de hoedanigheid van duivel. Inderdaad, het bestaan van menselijke duivels is een absoluut bewijs voor het bestaan van geestelijke duivels.
Ten tweede: alle krachtige bewijzen in Het Negenentwintigste Woord die het bestaan van geestelijke wezens en engelen onweerlegbaar aantonen, bewijzen eveneens het bestaan van duivels. Dus laten we het bewijzen van het bestaan van duivels over aan die verhandeling.
Ten derde: het bestaan van engelen, die dienen als vertegenwoordigers en toezichthouders van goede activiteiten en handelingen in het universum, staat vast in overeenstemming met alle religies. Evenzeer vereist zowel wijsheid als waarheid het bestaan van de duivels, die fungeren als vertegenwoordigers en de bron van kwade activiteiten. Het bestaan van een bewustzijn bezittende sluier voor kwade activiteiten is zelfs nog essentiëler dan een bewustzijn bezittende sluier voor goede activiteiten.
Zoals in het begin van Het Tweeëntwintigste Woord is vermeld, is niet iedereen in staat om de ware schoonheid achter alles te zien. Daarom heeft Allah ogenschijnlijke sluiers gecreëerd, zodat mensen, vanwege de uiterlijke schijn van kwaadheid en gebreken, de Verhevene Schepper niet betwisten, Zijn genade niet aanvechten, Zijn wijsheid niet bekritiseren en geen ongegronde klachten indienen. Hierdoor worden tegenspraak, kritiek en klachten niet op de alwijze Genadevolle Schepper gericht, maar op die sluiers gelanceerd. Bijvoorbeeld, Allah gebruikt ziekten als een sluier voor stervende dienaren om te voorkomen dat ze een afschuw krijgen van Azraīl (as). Op dezelfde manier dient Azraīl eveneens als een sluier voor de dood, zodat klachten die worden opgeroepen door zulke meedogenloos ogende toestanden niet tot Allah worden gericht. Evenzo vereist de wijsheid van de Heer nog sterker het bestaan van de duivel als een sluier, zodat de tegenwerpingen en kritiek die worden opgeroepen door zonden en narigheden niet gericht worden op de Verhevene Schepper.
Ten vierde: net zoals de mens een kleine wereld is, is de wereld een grote mens. Deze kleine mens is een opsomming en samenvatting van die grote mens. De eigenschappen en kenmerken die in de mens als kleine voorbeelden aanwezig zijn, moeten noodzakelijkerwijs op een grotere schaal in de grote mens aanwezig zijn. Bijvoorbeeld, het feit dat de mens een geheugen heeft, is een onmiskenbaar bewijs voor het bestaan van een bewaartableau waarin alles wordt bewaard, wat in de islamitische literatuur bekend staat als Lewh-i MahfūzHet niet-materiele geschrift waarin alles dat heeft plaatsgevonden en alles dat nog zal plaatsvinden gedetailleerd opgeschreven is..
Ook heeft de mens in de omgeving van zijn hart een centrum dat ‘lumma’ wordt genoemd, waarin hij de influisteringen van duivel ontvangt. Daarnaast heeft hij een spiritueel zintuig, dat bekendstaat als ‘quwwe-i wahima’, waardoor deze influisteringen worden geuit. Iedereen kan zowel gevoelsmatig als feitelijk bij zichzelf waarnemen dat deze ‘lumma’ en deze ‘quwwe-i wahima’ als een kleine duivel fungeren die altijd in strijd zijn met de wil en de spirituele kant van de eigenaar ervan. Dit vormt inderdaad een overtuigend bewijs voor het bestaan van grote duivels in de wereld. Met andere woorden, omdat ‘lumma’ fungeert als een oor en ‘quwwe-i wahima’ als een tong, staat het bestaan van duivel, een kwaadaardig extern wezen, dat zijn influisteringen aan ‘lumma’ overbrengt en deze via ‘quwwe-i wahima’ tot uiting laat komen, vast.