DE FLITSEN

Het twaalfde teken

 

Bestaat uit vier vragen en antwoorden

 

De eerste vraag: hoe kan het rechtvaardig zijn om beperkte zonden gedurende een beperkt leven te bestraffen met een eindeloze kwelling en een oneindige hel?

 

Het antwoord: in de vorige tekenen, vooral in het elfde teken, werd duidelijk aangetoond dat het misdrijf van ongeloof en dwaling een onbeperkt misdrijf is en een schending van oneindige rechten omvat.

 

De tweede vraag: in de sharia is vastgelegd dat de hel een straf voor daden is, terwijl het paradijs het gevolg van goddelijke genade is. Wat voor wijsheid schuilt hierachter?

 

Het antwoord: in de voorafgaande tekenen is duidelijk geworden dat de mens – met zijn beperkte wil die niet bij machte is om iets te creëren, en met zijn zeer geringe handelingen – aanzienlijke vernietiging en ellende kan veroorzaken. Bovendien zijn de nefs en de verlangens van de mens voortdurend vatbaar voor kwaad en ondeugd. Daarom draagt de mens zelf verantwoordelijkheid voor de zonden die door zijn zeer geringe handelingen ontstaan, omdat zijn nefs naar deze zonden verlangt en zijn geringe handelingen een voorwaardelijke reden vormen voor het ontstaan van die zonden. 

 

Aangezien kwaad ontstaat door het vernietigen van het goede, wat de afwezigheid van dat goede betekent, fungeert de dienaar als de dader van dat kwaad, terwijl Allah het schept. Hierdoor draagt een ongelovige uiteraard de verantwoordelijkheid voor het eindeloze misdrijf dat hij begaat vanwege zijn ongeloof, en zal hij onderworpen zijn aan een oneindige bestraffing. Aan de andere kant hebben goedheid en welwillendheid zelf een bestaan; ze ontstaan niet uit de afwezigheid van iets dat bestaat, zoals het geval is bij kwaad. Daarom kunnen de beperkte wil en zeer beperkte handelingen van de mens geen ware oorzaak zijn van hun ontstaan. De mens kan niet de ware dader ervan zijn.

 

Bovendien heeft zijn nefs, die altijd verlangt naar het kwade, geen neiging naar het goede. Het is de genade van de Heer die al het goede, zoals aanbidding, wil, en Zijn macht die het tot stand brengt.  De mens kan al deze goede daden alleen uitvoeren met zijn īmān, zijn verlangen ernaar en zijn oprechte intentie. Hij moet zich bewust zijn dat hij deze goede daden verricht als een vorm van dankbaarheid voor de gunsten van Allah, die hem reeds zijn geschonken, zoals het geschenk van zijn bestaan en zijn īmān. Ze hebben betrekking op de voorheen ontvangen gunsten. Wat betreft het paradijs, dat de belofte van Allah is, dit wordt geschonken als manifestatie van Zijn barmhartigheid. Hoewel het op het eerste gezicht een beloning lijkt, is het in feite een gunst van de Barmhartige.

 

Dus is de nefs de oorzaak van zonden en verdient op zichzelf straf. Bij goede daden daarentegen komen zowel de zichtbare oorzaak als de ware oorzaak van Allah. De mens kan alleen dankzij zijn īmān zeggen dat hij deze daden met de leiding van Allah heeft verricht. Hij kan niet zeggen: ‘Ik eis Zijn beloning op.’ Hij kan echter wel zeggen: ‘Ik hoop op Zijn gratie.’

 

De derde vraag: uit de voorgaande verklaringen blijkt dat één zonde als duizend zou moeten worden geregistreerd, omdat zonden zich verspreiden en zich via misdaden vermenigvuldigen, terwijl een goede daad helemaal niet genoteerd zou moeten worden, of slechts één keer, omdat goede daden niet materieel vermenigvuldigen en niet ontstaan door de inspanning van de dienaar en de neiging van de nefs. Waarom wordt één zonde als één, en één goede daad als tien, en soms als duizend geregistreerd?

 

Het antwoord: Allah laat de volmaaktheid van Zijn barmhartigheid en de schoonheid van Zijn genade op die wijze zien.