DE FLITSEN

Ik begreep met absolute zekerheid dat deze wereld, waar ik zo aan gehecht ben en door geboeid word, geschapen is en zal verdwijnen. Ze is vergankelijk en zal vergaan, evenals de schepselen erin die groepsgewijs achtereenvolgens sterven en verdwijnen. Vooral voor mensen die over een nafs-i emmāra beschikken, zoals die van mij, is deze wereld zeer genadeloos en listig. De genieting die de wereld aanreikt, brengt echter duizend kwellingen met zich mee. Hij laat één plezier ervaren, maar honderd pijnigingen doorstaan.

 

O mijn genadevolle Heer, o mijn vrijgevige Schepper! 

 

Volgens het mysterie achter

كُلُّ اٰتٍ قَرٖيبٌ

verbeeld ik mij in mijn gedachten, vanuit het heden, de tijd van mijn dood. Ik zie dat ik word gewikkeld in mijn lijkwade, word gelegd in mijn baar en afscheid neem van mijn vrienden. Terwijl ik naar mijn graf wordt gedragen, roep ik U aan, smekend om Uw genade: “Genade, genade! Yā Hannān, yā Mennān! Verlos mij van de schaamte van mijn zonden.”

 

Ik heb de rand van mijn graf bereikt. En ik sta naast mijn lijk, dat aan de rand van mijn graf ligt. Ik hef mijn hoofd tot U, smekend om Uw genade: “Genade, genade! Yā Hannān, yā Mennān! Verlos mij van de zware lasten van mijn zonden.”

 

Gehuld in mijn lijkwade word ik in mijn graf gelegd. Degenen die komen om afscheid van mij te nemen, hebben mij alleen gelaten en zijn vertrokken. Ik hoop op Uw vergeving en genade. Ik heb duidelijk waargenomen dat er geen toevlucht of redding is buiten U. In het aangezicht van afschuwelijkheden van zonden, de gruwelijkheden van ongehoorzaamheid aan U en de nauwheid van het graf roep ik met al mijn kracht: “Genade, genade! Yā Hannān, yā Mennān, yā Deyyān! Verlos mij van het gezelschap van mijn afschuwelijke zonden en verruim mijn graf. O Allah, Uw genade is mijn toevlucht en Uw geliefde (saw), de genade der werelden, is mijn bemiddelaar tot Uw genade. Ik beklaag me niet over U, maar klaag bij U over mijn nefs en mijn toestand.”

 

O mijn vrijgevige Schepper, o mijn genadevolle Heer!

 

Uw schepsel en dienaar genaamd Said is zowel opstandig, machteloos, onachtzaam en onwetend als ziek, onwaardig, zondaar, bejaard en kwaaddoener, en een weggelopen slaaf. Na veertig jaar betuigt hij spijt en verlangt hij terug te keren naar Uw hof. Hij neemt toevlucht tot Uw genade, bekent zijn ontelbare zonden en fouten, en smeekt U om genade terwijl hij lijdt aan twijfels en allerlei spirituele aandoeningen. Als U hem uit Uw volmaakte genade accepteert, hem vergeeft en begenadigt, dan is dat vanwege Uw eigenschap, want U bent de meest Genadevolle. Als U hem niet accepteert, weet hij niet op wiens deur hij moet kloppen. Welke andere deur is er? Buiten U om bestaat er geen Heer bij wie hij terechtkan. Buiten U bestaat er niets en niemand die aanbeden kan worden, waartoe men zijn toevlucht kan nemen.    

 

  لَا اِلٰهَ اِلَّا اَنْتَ وَحْدَكَ لَا شَرٖيكَ لَكَ اٰخِرُ الْكَلَامِ فِى الدُّنْيَا وَ اَوَّلُ الْكَلَامِ فِى الْاٰخِرَةِ وَ فِى الْقَبْرِ

 اَشْهَدُ اَنْ لَا اِلٰهَ اِلَّا اللّٰه وَ اَشْهَدُ اَنَّ مُحَمَّدًا رَسُولُ اللّٰهِ صَلَّى اللّٰهُ تَعَالٰى عَلَيْهِ وَ سَلَّمَ