DE FLITSEN
De veertiende notitie
Bestaat uit vier korte tekenen aangaande de eenheid van Allah.
Het eerste teken
O mens, die zeer veel belang hecht aan oorzaken!
Indien je zou zien dat er een bijzonder paleis wordt opgebouwd uit zeldzame juwelen, waarvan een deel slechts in China, een ander deel alleen in Andalusië, weer een ander deel slechts in Jemen, en nog een ander deel enkel in Siberië te vinden is; en indien je zou waarnemen dat tijdens het bouwproces al die juwelen binnen één dag vanuit die verschillende plaatsen, vanuit het noorden, zuiden, oosten en westen, worden opgeroepen en bijeengebracht, zou je dan twijfelen aan het feit dat de bouwmeester van dat paleis een wonderlijke heerser is die over de hele aarde regeert?
Inderdaad, ieder levend wezen is zo’n paleis dat is opgebouwd door Allah. De mens is het mooiste en meesterlijkste onder die paleizen. Een deel van de juwelen waaruit dit paleis, de mens, is opgebouwd, komt uit de zielenwereld, een ander deel uit ālem-i misālEen niet-materieel rijk waarin zich de beelden van het gehele bestaan en alle gebeurtenissen reflecteren., weer een ander deel uit Lewh-i MahfūzHet niet-materiele geschrift waarin alles dat heeft plaatsgevonden en alles dat nog zal plaatsvinden gedetailleerd opgeschreven is., en ook weer een ander deel uit de werelden van lucht, licht en elementen. Bovendien strekken de behoeften van zo’n mens zich uit tot in de eeuwigheid, zijn verlangens zijn niet beperkt tot deze wereld maar reiken tot aan de hemelen, en zijn betrokkenheid is zo uitgebreid dat hij banden heeft met zowel deze wereld als het hiernamaals.
O jij die jezelf als mens beschouwt! Aangezien dit dus jouw ware aard is, kan Degene Die jou heeft geschapen alleen Degene zijn Die de wereld en het hiernamaals, de aarde en de hemel, en het verleden en de toekomst moeiteloos beheert en onder Zijn gezag heeft. Daarom kan Degene tot Wie gebeden wordt, bij Wie toevlucht wordt gezocht en door Wie men gered kan worden van gevaren, enkel Degene zijn Die over het aardoppervlak en de hemel evenals over de wereld en het hiernamaals heerst.
Het tweede teken
Laten we ons een dwaas voorstellen die onbekend is met de zon. Wanneer deze persoon de reflectie van de zon in een spiegel ziet, ontstaat er een waardering voor die spiegel. Hij koestert de spiegel en streeft ernaar deze te behouden, zodat het zonlicht erop niet verloren gaat. Wanneer zo’n onwetende zich realiseert dat de zon niet ondergaat op het moment dat de spiegel ten onder gaat en niet verdwijnt op het moment dat de spiegel breekt, richt hij zijn volledige genegenheid op de zon aan de horizon. Hij begrijpt dan dat de zon die op de spiegel verschijnt niet afhankelijk is van die spiegel, en dat het voortbestaan van de zon er niet van afhangt. Het is eerder de zon die als bron dient voor die verschijning en deze ook in stand houdt. De voortzetting van de zon is dus niet afhankelijk van de spiegel, maar de voortzetting van de levendige schittering van de spiegel is wel afhankelijk van de verschijning van de zon.
O mens! Je hart, je identiteit en je aard fungeren als een spiegel. De intense liefde voor de eeuwigheid die zich in je wezen en hart bevindt, is niet bedoeld voor die spiegel, noch voor je hart, noch voor je aard. In plaats daarvan is je liefde bedoeld voor Bāqi-i zul-Djelāl, Wiens verschijningen van de namen zich manifesteren op die spiegel, in overeenstemming met de capaciteit van de spiegel. Echter, vanwege dwaasheden heeft die liefde een andere wending genomen. Hierdoor dien je te zeggen:
يَا بَاقِى أَنْتَ الْبَاقِىO Eeuwige, U bent de Eeuwige
Met andere woorden, zeg: “Aangezien U bestaat en eeuwig bent, hebben vergankelijkheid en non-existentie totaal geen invloed op ons.”