De Brieven

Stel dat in een prachtig ingerichte kamer aan elk van de vier muren een manshoge spiegel hangt en dat iedere spiegel aan één van ons toebehoort. Dan zouden wij vijf kamers hebben. Eén daarvan is de werkelijke, gemeenschappelijke kamer, de andere vier zijn denkbeeldig en geheel persoonlijk. Ieder van ons kan via zijn eigen spiegel de vorm en kleur van zijn persoonlijke kamer veranderen. Verf je de spiegel rood, dan lijkt de kamer rood; verf je hem groen, dan lijkt ze groen. Zo kunnen wij met onze spiegel de kamer telkens een ander aanzien geven. We kunnen haar mooi of lelijk maken, haar vervormen of verfraaien. Maar de buitenste, gemeenschappelijke kamer, die voor ons allen dezelfde is, kunnen wij niet zomaar veranderen of beïnvloeden. Hoewel de persoonlijke kamers en de gemeenschappelijke kamer in wezen met elkaar overeenstemmen, verschillen ze in praktijk van elkaar. Je kan, bij wijze van spreken, jouw eigen kamer met één vingerbeweging vernietigen, maar in de echte kamer kan je nog geen enkel steentje in beweging brengen.

 

Zo is ook deze wereld een prachtig ingericht woonverblijf, waarbij het leven van ieder van ons lijkt op die manshoge spiegel. Iedere mens bezit binnen deze wereld zijn eigen kleine wereld, waarvan het middelpunt en de toegangspoort zijn eigen leven is. Onze persoonlijke wereld is daarin als een bladzijde, en ons leven is als de pen waarmee onze handelingen worden neergeschreven in ons dadenboek.

 

Nadat wij deze wereld hebben liefgehad, hebben wij bemerkt en ervaren dat zij evenals ons leven vluchtig, vergankelijk en onstabiel is. Zodoende richt onze liefde voor haar zich op de manifestaties van de namen van Allah, waarvoor onze wereld als een spiegel dient. Wanneer wij daarnaast begrijpen dat onze persoonlijke wereld niets anders is dan een voorbijgaand plantenbed voor het hiernamaals en het paradijs, en wij onze gevoelens en ervaringen –zoals brandend verlangen, hartstocht en liefde– richten op de voordelen van het hiernamaals, die de resultaten, vruchten en loten daarvan zijn, dan verandert deze metaforische liefde in een ware liefde.

 

In het andere geval zal hij, overeenkomstig het vers

نَسُوا اللّٰهَ فَاَنْسٰيهُمْ اَنْفُسَهُمْ اُولٰٓئِكَ هُمُ الْفَاسِقُونَ,

zichzelf vergeten, het einde van zijn leven niet overwegen en daardoor zijn eigen, onstabiele wereld aanzien voor de algemene, stabiele wereld. Hij zal zichzelf als onsterfelijk beschouwen, in deze wereld verzanden en haar met een vurig verlangen omhelzen en vervolgens in haar verdrinken en vergaan.

 

Deze liefde veroorzaakt bij hem een voortdurende kwelling en leed, omdat zij een onuitvoerbaar mededogen en een wanhopig medelijden teweegbrengt. Hij heeft medelijden met alle levende wezens, maar voelt zich geïsoleerd in zijn medelijden, omdat hij voortdurend aan het einde van alle mooie schepselen denkt. Hij kan daar niets aan veranderen en lijdt in een toestand van absolute wanhoop.