DE FLITSEN

De Umayyaden en Kharijieten hadden hem onterecht aangevallen en belasterd. Als reactie hierop hebben de volgers van de Ehl-i soenna wel-djemāa vaak grootschalig overleveringen over hem verspreid. Aan de andere kant werden de andere rechtgeleide kaliefen niet aan dergelijke kritiek en laster onderworpen, dus was er geen noodzaak om overleveringen over hen te verspreiden. 

 

Bovendien had de Profeet (saw) dankzij zijn profetische blik gezien dat Ali (ra) in de toekomst zou worden geconfronteerd met ernstige gebeurtenissen en interne onrust. Om hem te behoeden voor waanhoop en zijn umma ervan te weerhouden ongunstig over hem te denken, heeft hij (saw) hem getroost met belangrijke overleveringen zoals

مَنْ كُنْتُ مَوْلاَهُ فَعَلِىٌّ مَوْلاَهُ

en heeft hij (saw) zijn umma geleid. 

 

De overmatige liefde van sjia el-welāya voor Ali (ra) en hun neiging tot voorkeur vanwege invloeden uit het soefisme maken hen niet zo schuldig als de sjia el-kalifaat. Immers, degenen die het pad van welāya volgen, koesteren liefde jegens hun spirituele gidsen. Een kenmerk van liefde is overdrijven. Zij willen de geliefde zien als groter dan zijn werkelijk niveau. En zo zien zij hem. Daarom kunnen zij die in extase raken mogelijk worden vergeven voor hun overmatige liefde. Echter, hun vooringenomen voorkeur voor Ali (ra) vanwege liefde kan slechts worden verontschuldigd als ze geen van de rechtgeleide kaliefen beledigen of vijandigheid jegens hen koesteren, en daarbij de fundamentele leerstellingen van de Islam niet overschrijden.

 

Wat betreft de sjia el-kalifaat, aangezien politieke vooroordelen hen in hun greep hielden, kunnen ze zichzelf niet bevrijden van afkeer en onrecht, en daarmee verliezen ze hun recht om zich te verontschuldigen. Ze bevestigen zelfs de bewering:

لاَ لِحُبِّ عَلِىٍّ بَلْ لِبُغْضِ عُمَرَ

 

Aangezien het Iraanse volk aan de hand van Omar (ra) gekwetst was, tonen ze hun wraak onder het voorwendsel van liefde voor Ali. Zo hebben ook de opstand van Amr ibn el-As tegen Ali (ra) en de tragische strijd van Omar ibn Sa’d tegen Husayn (ra) de Sjiieten aangezet tot enorme haat en afkeer jegens de naam Omar.

 

De sjia el-welāya hebben helemaal geen recht om Ehl-i soenna wel-djemāa te bekritiseren, want de soennieten veroordelen Ali (ra) niet, maar houden oprecht van hem. Ze vermijden echter een overmatige liefde, die volgens de overleveringen van de Profeet (saw) als gevaarlijk wordt beschouwd. De lof van de Profeet (saw) voor de volgelingen van Ali (ra) in de overleveringen verwijst naar de soennieten. Het zijn namelijk de soennieten onder de volgelingen van Ali (ra) die hem op gematigde wijze liefhebben en juist zijn in hun standpunten. Het is immers duidelijk verkondigd in een betrouwbare overlevering dat net zoals overmatige liefde voor Isa (as) gevaarlijk is voor christenen, zo is dit soort overmatige liefde voor Ali (ra) gevaarlijk.